2 Het aflezen van de schaalverdeling

Bij het gebruik van de rekenliniaal is het belangrijk, de schaal snel en nauw­keurig af te lezen. De figuren 3 tot 6 geven voorbeelden van de meest gebruikte hoofdsschaalverdelingen C en D. De hoofdverdelingen zijn met lange deel­strepen en de cijfers 1 tot 10 aangegeven (fig. 3). De tien is weer als 1 aangegeven, omdat deze deelstreep als begin van een — aan de vorige — identieke schaal­verdeling is te beschouwen.

Fig. 1.

De schalen van de rekenliniaal zijn in de ruimte tussen de cijfers 1 en 2 op gelijke wijze verdeeld als bij een centimeter de verdeling in millimeters is aangebracht, het verschil is slechts gelegen in de afstand tussen de deelstrepen, die naar rechts steeds kleiner wordt; bovendien begint de schaal niet met het cijfer 0 maar met 1.

Fig. 2. Het aflezen in het interval van 1 tot 2

Het cijfer 2 van een schaalverdeling in millimeters kan 2 cm, 20 mm, 0.2 dm, 0.02 m enz. betekenen; ook het cijfer van de schaalverdeling van de reken­liniaal zegt niets over de komma in het decimale getal. Daarom is het aan te bevelen, alleen de cijfers in volgorde, zonder komma, af te lezen, en de cijfers stuk voor stuk uit te spreken, b.v. een-drie-vier, en niet honderd vier en dertig, opdat geen cijfers verwisseld of weggelaten worden. Ter oefening verschuift men de loper langzaam van streep 1 naar rechts en leest op elke deelstreep de volgorde van de cijfers af, b.v. 100, 101, 102, 103, ... 112, 113, enz.

De streep op de loper is in vergelijk met de ruimte tussen de deelstrepen zo smal, dat men nauwkeurig op het midden tussen twee deelstrepen kan instel­len. Het oog kan ook kleinere delen van de tussenruimte schatten, zodat men met enige oefening tot op tienden nauwkeurig kan aflezen.

Ter oefening verschuift men de loper weer langzaam naar rechts, tussen de deelstrepen 131.0 en 132.0 en schat men b.v. de aflezingen 131.0, 131.1, 131.2 enz.

Tussen de met cijfers aangeduide deelstrepen en de daarop volgende moet men op de nullen letten vooral aan het begin van de schaalverdeling, b.v. 100.0 100.1, 100.2, enz. (zie fig. 4).

 Fig. 3. Het aflezen in het interval van 2 tot 4

Omdat de ruimten tussen de deelstrepen links van het cijfer 2 reeds zeer smal worden, is in het daarop volgende deel tussen de cijfers 2 en 4 om de andere een tussen deelstreep aangebracht; er ontstaat daardoor een nieuw beeld van de schaalverdeling, waar van streep tot streep de even waarden af te lezen zijn: 200, 202, 204, 206, 208, 210, 212, enz. Het midden van elke tussenruimte geeft de oneven waarde aan, b.v. 201, 203, 205, 207, 209, 211 enz. Figuur 5 geeft enige afleesvoorbeelden.

Fig. 4. Het aflezen in het interval van 4 tot 10

In het deel tussen 4 en 10 verspringen de tussen ruimten met 5 eenheden, zo dat de aflezingen van de opvolgende deelstrepen 400, 405, 410 enz. zijn. De daartussen gelegen waarden moeten op het oog geschat worden, midden tussen 400 en 405 ligt de waarde 4025, iets links daarvan ligt 402 en rechts daar­van 403. Overeenkomstig geeft het midden van het volgende interval de waarde 4075. Figuur 6 toont een hele reeks voorbeelden (stippellijntjes).

Het instellen en het aflezen van de schalen en de loper is voor beginners vaak moeilijk. Daarom is het zeer aan te bevelen met de loperstreep en de streep aan het begin van de schaal op de schuif veel te oefenen. Het feitelijke rekenen met de schalen levert dan geen moeilijkheden meer op.

Er wordt zo gerekend, dat de afstanden automatisch opgeteld of afgetrokken worden. Op zeer eenvoudige wijze kan deze methode van rekenen aan de hand van twee langs elkaar verschuifbare centimeters verklaard worden.

Fig. 5.Grafische optelling van twee maatlatjes

Figuur 7 toont als voorbeeld . Als het cijfer O van het begin van de bovenste maatlat (centimeter) op het cijfer 2 van de onderste centimeter wordt gezet, kan men met deze instelling het onderste cijfer 2 bij het bovenste cijfer 3 optellen. Onder het cijfer 3 van de bovenste maatlat staat het antwoord 5 op de onderste maatlat. Eveneens kunnen we aflezen  en ook  als men de millimeter verdeling natelt.

Ook de aftrekking kan men uit de figuur 7 aflezen, de methode van aflezen is juist omgekeerd, d.w.z tegengesteld aan de voorgaande. Van het getal 5 van de onderste schaal wordt het getal 3 van de bovenste schaal af­getrokken, dan staat het resultaat 2 op de onderste schaal.

Bij de rekenliniaal bevinden de deelstrepen zich op de vaste lat én op een daarin beweegbare schuif. Het bijzondere van de rekenliniaal ligt hierin, dat de aangebrachte schaalverdeling logaritmisch is. De optelling van twee getallen geeft dan een vermenigvuldiging, en de aftrekking wordt een deling.