4 Vermenigvuldigen

(het optellen van twee stukken van de schaalverdeling)

Cijfer 1 van schaal C van de schuif wordt op cijfer 18 van schaal D gezet. Door het verschui­ven van de loper tot het cijfer 13 van schaal C wordt het stuk 13 bij het stuk 18 op­ge­teld, en het resultaat 234 kan onder de streep van de loper afgelezen worden. Uit een grove benaderingsberekening (20.10 = 200) vindt men de plaats van de komma.

 

De opgave 18 - 7.8 kan op de tot nu toe behandelde methode slechts opgelost worden met het doorschuiven van de schuif, d.w.z door het einde van schaal C op 18 in D te plaatsen. Bij de ARISTO-Studio is dit verschuiven niet nodig als men op de schalen CF en DF verder rekent.

De schalen CF en DF maken deze vereenvoudigde berekening mogelijk, omdat deze schalen een herhaling van de hoofdschalen C en D zijn, maar zo ver­plaatst dat het begin 1 van de schaal ongeveer in het midden van de rekenliniaal ligt om zo een „oververdeling" op de halve staaflengte te verkrijgen. Als b.v. van het onderste schalenpaar het cijfer 1 van schaal C en 18 van schaal D tegen­over elkaar staan, dan is op het bovenste schalenpaar dezelfde instelling aflees­baar, namelijk 1 op schaal CF onder 18 op schaal DF. Om duidelijk uit te laten komen, dat C en CF van de schuif bij elkaar behoren, zijn zij geel gekleurd (zie onder 9).