5         Deling

(het aftrekken van twee stukken van de schaalverdeling, omkering van de vermenigvuldiging)

De streep van de loper wordt boven de waarde 2620 van schaal D ge­plaatst en de waarde 17.7 van schaal C onder de streep van de loper gescho­ven, zodat bei­de waarden onder el­kaar staan. Het resultaat 148 wordt onder het begin van de schuif op schaal C afgelezen, bij andere voor­beelden soms op het einde van de schaalverdeling. Boven 1 van de schaal CF kon het resultaat op schaal DF natuurlijk eveneens worden afgelezen.

De instelling van de schuif is feitelijk hetzelfde als van de vermenigvuldiging 148·17.7 = 2620. Het verschil van ver­me­nigvuldigen en delen be­staat dus slechts in de volgorde van de bewerking (aflezing). Na het instellen van de deling wordt het resultaat tel­kens onder de op de vaste liniaal aan­gebrachte schaal­verdeling aan het begin of het einde afgelezen: doorschui­ven is dus niet nodig. Deze eigenschap van de deling wordt in de volgende hoofdstukken veel­vuldig toegepast.