9 De opgeschoven schaalverdelingen CF, DF en CIF

Deze schalen komen in lengte overeen met de hoofdschalen C, D en CI. Ze zijn slechts over een stuk n = 3.14159 verplaatst, d.w.z ze zijn t.o.v. de hoofd­schalen zo verplaatst, dat de waarde n juist tegenover de beginstreep of de eindstreep van de hoofdschaal staat. De schaalwaarde 1 ligt dan ongeveer in het midden van de liniaal, zodat een onderverdeling ter lengte van de halve schaal ontstaat. Dit levert belangrijke voordelen op bij het vermenigvuldigen, het rekenen in tabellen en bij breuken, waarbij het doorschuiven van de schuif vervalt.

Het cijfer 1 van schaal CF komt steeds overeen met dezelfde aflezing op schaal DF, zoals de 1 of de 10 van schaal C op schaal D. De tot nu toe behandelde ver­menigvuldigingen kunnen daarom ook met de bovenste schalen CF/DF be­gonnen worden, en wel met dit voordeel, dat van meet af aan de juiste schaalinstelling gehandhaafd blijft. De vraag of met het linker of het rechter schaaleinde begonnen moet worden, is dan overbodig. Als de deling met de bovenste schalen uitgevoerd wordt, staan teller en noemer op de rekenliniaal Juist zo tegenover elkaar als dat bij een breuk het geval is.

De beide schalenparen CF/DF en C/D vormen een werkgemeenschap; als het resultaat met het ene paar niet afgelezen kon worden, is de aflezing met het andere paar mogelijk, doorschuiven van de schuif komt niet meer voor. De gele kleurstrepen op de schuif herinneren eraan, dat de factoren op de beweegbare schaal van de schuif C en CF ingesteld moeten worden om fouten te voorkomen, omdat C boven D en CF onder DF glijdt.