14.1 Machten en wortels met de exponenten 10 en 100

De exponentiŽle schalen zijn zo gemaakt, dat telkens bij de overgang van een LL-schaal naar de aangrenzende schaal de 10-de macht of de 10-de machtswortel berekend wordt, afhankelijk van de afleesrichting. De daarbij voorkomende variaties toont fig. 34 met bijbehorende† voorbeelden.

Voorbeeld:

1.01510 ††† = 1.1605

1.015100 † = 4.43

1.015-100 = 0.2257 ††† = 1/4.43

1.015-10 †† = 0.8617 ††† = 1/1.1605

1.015-1†††† = 0.98522†† = 1/1.015

Deze in de praktijk zelden voorkomende voorbeelden dienen voor beter begrip van de samenstelling van de exponentiŽle schalen.