14.2 Machten van de vorm y = ax

Evenals men met de hoofdschalen vermenigvuldigt, kan men machtsverheffen door de LL schalen te gebruiken.

Rekenwijze:

a)   het begin van schaal C instellen boven het grondtal „a" op de overeen­komstige LL schaal met behulp van de loper;

b)   de exponent x op de schaal C instellen door het verschuiven van de loper;

c)   de uitkomst y aflezen onder de streep van de loper op de juiste LL schaal (vergelijk de regels voor het aflezen).

Met het instellen van het grondtal verkrijgt men een tabel voor de functie y = ax. Fig. 35, toont de instelling voor de functie y = 3.2x, waarbij de loper op de exponent 2.5 en zijn decimale variaties staat.

3.22.5=18.3 320.025=1.0295 32-0.25=0.7476 3.23.1=36.8
3.20.25=1.338 3.2-2.5=0.0546 32-0.025=0.97134 320.36 =1.520

 

Afleesregels:

a)   Bij positieve exponenten liggen de instelling en de uitkomsten in dezelfde schalen­groe­pen LL1‑LL3 of LL01‑LL03, men blijft dus bij dezelfde kleur wat betreft de cijfers.

b)   De aflezing op de aangrenzende schaal LL, met ondergeplaatste getallen geschiedt over­eenkomstig de becijfering der schalen aan de rechterkant van de rekenliniaal, wan­neer bij de variaties van de exponenten de komma een plaats naar links gaat (zie voorbeeld fig. 35).

c)   Wordt het grondtal met de rechterkant van de schuif ingesteld, dan worden alle uit­komsten op de aan de bovenkant becijferde aangrenzende schaal afgelezen (fig. 38).

Voor  vindt men de machten met positieve exponenten in de schalengroepen LL01‑LL03 en met nega­tieve exponenten in de schalengroepen LL1‑LL3.

Voorbeeld:

zie fig 36.

Verdere voorbeelden in fig. 37 en 38.

zie fig 36. of fig 37.

Voor deze voorbeelden zijn twee oplossingen mogelijk; of het begin of het einde van de schuif wordt boven het grondtal gezet.